Archeologische opgravingen in Reusel - Heemkunde Werkgroep Reusel

Koptekst
Ga naar de inhoud
Menuknop
Archeologische opgravingen in Reusel
 
Eind 20e eeuw werden in het centrum van Reusel archeologische opgravingen uitgevoerd. De opgravingen stonden onder leiding van het Instituut voor Pre- en Protohistorische archeologie van de Universiteit van Amsterdam (het IPP) en werden mogelijk gemaakt  dankzij de royale (financiële) medewerking van het gemeentebestuur van Reusel. De werkzaamheden werden in drie fasen uitgevoerd. De  eerste (proef)opgraving vond plaats in augustus 1995. Dat was op de speelplaats  van de voormalige openbare school De Klimop. Daarbij werden fundamenten van een gotische kerk en een gedeelte van de restanten van een voormalige Romaanse kerk blootgelegd. De resultaten van deze proefopgraving werden in september 1995 door het IPP gerapporteerd aan de gemeente. Enige maanden later presenteerde de stedenbouwkundige, in het kader van een nieuw bestemmingsplan, de definitieve inrichtingsschets voor het centrum van Reusel.

Volgens deze schets zou het gehele gebied, waar de overige restanten van de Romaanse en gotische kerken lagen, op de schop gaan en compleet opnieuw worden heringericht. Gelijktijdig met de inrichtingsschets werd er ook een ambitieuze planning gepresenteerd. Daaruit bleek dat er haast gemaakt zou moeten worden met het opgraven en onderzoeken van de overige archeologische restanten. Zodoende werd de tweede fase al in het voorjaar van 1996 uitgevoerd. Weer een goed jaar later  vond de derde en laatste fase van de opgravingen plaats. Deze werden afgerond in juni 1997.

Op voorstel van Heemkunde Werkgroep Reusel werd in de stedenbouwkundige schets en met de inrichting van de openbare ruimte, ter plaatse van het nieuwe 'verbeterde' busstation, rekening gehouden met de voormalige gotische en Romaanse kerken.
In de toelichting op de inrichtingsschets verwoordde de stedenbouwkundige dat als volgt:
Een specifiek element op het plein vormen de fundamenten van de vroegere Romaanse en gotische kerken van Reusel. Deze waardevolle historische referentie vraagt om een ruimtelijke vertaling in het pleindeel dat ontstaat tussen de Wilhelminalaan en de halteplaats van de bussen. Een combinatie met de haltevoorzieningen (bijvoorbeeld  bestratings- en/ of zitelementen) is goed denkbaar.

Bij de uitvoering van het bushalteplein zijn in de bestrating zwarte keitjes opgenomen die de contourlijnen van de gotische kerk weergeven. Ook in de overkapping van de bushalte zijn deze contourlijnen terug te vinden. Een taxushaag in het talud markeert de plaats en een gedeelte van de vorm van de Romaanse kerk. Door de gemeente is bij het busstation een
nformatiepaneeli geplaatst waarop de (bouw)geschiedenis van de voormalige kerken in Reusel beschreven staat.

De archeologische opgravingen inspireerden ook Jan Vosters. De opgravingen die er in 1995 en 1997 plaatsvonden hebben de Reuselse kunstschilder geïnspireerd tot een indrukwekkende serie olieverfschilderijen; ruim dertig in getal. 23 Daarvan hebben een plaats gekregen in het boek 'Verleden Tijd'. In de zandverkleuringen, restanten van doodskisten en overblijfselen van botten en schedels treft hij, in een soort van cumulatie, de thematiek aan die hem in zijn eerdere werk ook vaak bezig heeft gehouden: de vergankelijkheid van het aardse bestaan.

Opgravingen in de Middeleeuwse kerken van Reusel
Augustus 1995
door Jan Lavrijsen

Met niet aflatende ijver stort de schooljeugd zich in augustus 1995 op de hopen zand en puin afkomstig van de proefopgraving van de middeleeuwse kerken in het centrum van Reusel.
Spannende schatgraverij met trofeeën als roestige spijkers, aardewerk
fragmenten, stukjes van Goudse pijpen, tegelresten, kalk-, tuf- , vuurstenen en andere stenen en nog het meest in trek... botresten. Andere, vaak oudere belangstellenden uit de wijde omtrek staan urenlang in drommen om de 'bouw'put, stilzwijgend of gezellig keuvelend. Niets willen ze missen van de langzame vorderingen van de zich onder de brandende zon in het zweet werkende vrijwilligers. Ook zij doen aan schatgraverij. Zilver of goud verwachten ze niet aan te treffen, wel aanwijzingen die kunnen leiden tot een betere kennis van de roerige, duizendjarige geschiedenis van kerkgebouwen en de daarbij horende dorpsgemeenschap. Arm als het was en getroffen door vele opeenvolgende rampen, is Reusel is nu eenmaal niet rijk begiftigd met wat men het 'culturele erfgoed' noemt. Een door velen gevoeld gemis, dat deels gecompenseerd zou kunnen worden door deze opgraving. Dorst naar kennis en ontzag voor het verleden waren de drijfveren die gravers en toekijkers bonden.

'Waarom nu op stel en sprong deze opgravingen?' vroegen enkelen zich af. Die vraag is simpel te beantwoorden: plannen tot een ingrijpende herinrichting van het centrum van Reusel. Omvangrijke grondwerkzaamheden daarbij zouden de restanten van de oude kerken onherroepelijk vernietigen. Daarom was er nu werk aan de winkel en trok de Heemkunde Werkgroep Reusel aan de bel. Immers zolang de ondergrond van het centrum niet verstoord was bleef het bodemarchief intakt, en was geen haast geboden.

Het verslag
Eind september 1995 werden in een verslag de eerste resultaten van het proefonderzoek bekend gemaakt door het Instituut voor Pre- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam. Hiervan wordt in dit artikel beknopt melding gemaakt, met weglating van technische details. Het doel van de opgraving was het zoeken naar resten die aantonen dat het terrein al voor de bouw van de gothische kerk als kerkterrein in gebruik was. Tevens werd in verband met een mogelijk vervolgonderzoek gelet op de kwaliteit van de bodemresten en de mate van verstoring van het onderzoeksgebied.
Op de speelplaats van de openbare school werd een proefput gegraven van acht bij elf meter, in de hoop dat daardoor delen van het torenfundament en van het schip van de gothische kerk blootgelegd konden worden. Metingen op oude kadastrale kaarten uit 1832 en een portie geluk bleken inderdaad tot een juiste situering te hebben geleid. Op een diepte van slechts veertig centimeter kwamen de eerste nog in verband liggende bakstenen tevoorschijn. Met de machinale verwijdering van de bovengrond moest toen gestopt worden en werd er met de hand verder gewerkt.
Naast de resten van de gothische kerk kwamen al op de derde dag de fundamenten van de Romaanse voorganger aan het licht, gevolgd door 23 begravingen. Er bleken geen andere verstoringen te zijn dan een rioolput en -buis van de Mariaschool, aangelegd in 1936 en enkele kuilen, waaronder een boomplantgat van enkele jaren daarvoor. De kwaliteit van de bodemsporen bleek uitstekend.
De ligging van de gothische kerk kon exact getraceerd worden op grond van oude tekeningen en de afmetingen van de blootgelegde resten.

De kerken
Zoals vermeld zijn resten blootgelegd van twee kerken, een gothische en een Romaanse. De gothische kerk werd vermoedelijk ergens in de veertiende eeuw gebouwd door de priorij van Postel, dat toen de kerk in haar bezit had, ter vervanging van haar Romaanse voorganger. Meer dan zeshonderdenvijftig jaren later, in 1896/97, zou ze uiteindelijk gesloopt worden. In relatie tot de omvang van de toenmalige Reuselse bevolking was deze kerk opvallend groot. De vraag dringt zich dan ook op of de reden van de bouw niet gezocht moet worden bij de bedevaart, waarvan kronieken vermelden dat die telkenjare op 15 augustus, ter ere van Maria Hemelvaart, grote vormen bereikte. Deze bedevaart ging desalniettemin ter ziele rond 1581. Reusel werd toen zwaar toegetakeld in verband met de Tachtigjarige Oorlog. Talrijke dorpsgenoten werden vermoord en de overige zijn gedurende twee jaar op de vlucht geweest, zoals ons uitgelegd is in het boek 'Acht eeuwen kerken in Reusel'. Uit deze periode stamt wellicht ook het akkertoponiem 'plonderijen', wat staat voor 'plunderingen'. De huidige straat en buurt 'de Plonderijen' is ernaar genoemd. Op die plek is ook een Spaans wapentuig aangetroffen. Vermeldenswaard is verder dat de toren voltooid werd voordat begonnen werd met de bouw van de gothische kerk zelf. De toren stond oorspronkelijk 1.25 meter voor de Romaanse kerk. De eerste schriftelijke vermelding van het bestaan van een Romaanse kerk dateert van 1135. De kerk was dus al gebouwd voordat lokale edelen vijf-zesde van alle gronden en visvijvers in Reusel schonken aan de abdij van Floreffe en de priorij van Postel. De interessante vraag rijst nu wie de oorspronkelijke grondheer was die in staat bleek een zo kostbaar bouwwerk te laten verrijzen en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Het materiaal voor de funderingen van deze kerk was deels lokaal voorhanden in de vorm van klompen ijzeroer, natuursteen en leem, maar voor de muren werd gebruik gemaakt van zachte, makkelijk te bewerken vulkanische tufsteen. Met simpele boerenkarren met houten assen moest dat uit het verre Duitse Eifelgebergte gehaald worden. Dergelijke Romaanse kerkgebouwen zijn mede hierdoor zeldzaam in de Kempen.
De stichter van de Romaanse kerk en mysterieuze grootgrondbezitter zal wellicht ook de heer zijn geweest van het domein waarvan de nederzetting oud-Reusel, Roselo, het middelpunt was en dat gelegen moet hebben rondom of in de nabijheid van de Romaanse kerk.

De oude begraafplaatsen
Het gedeelte in de toren en de doorgang naar het schip tot aan de Romaanse kerk werd verdiept tot op de vaste ondergrond. Na verwijdering van alle vloer- en puinresten, kwam een dikke, donkerbruine en homogene laag tevoorschijn. Deels in, maar vooral onder deze laag lagen 22 graven. Vier van deze graven waren relatief jong en dateren van na de bouw van de toren. De overige achttien dateren van voor de bouw van de toren. De toren werd dus op een begraafplaats gebouwd. Enkele van deze graven echter lagen onder de fundering van de Romaanse kerk. Dit betekent, dat er al een begraafplaats was voordat de Romaanse kerk gebouwd werd, die dus ook bovenop een kerkhof geplaatst werd. We vermoeden daarom dat de Romaanse kerk een nog oudere voorganger had, wellicht in de vorm van een houten kerk. Houten kerken zijn er gebouwd vanaf de negende eeuw, na de missionaire inspanningen in onze streek door Willibrord. Pas in die tijd is ook het gebruik ontstaan om de doden centraal te begraven bij een kerk. Daarvoor werd dat gedaan op de eigen erven.
Een voorlopige gevolgtrekking is dat er op het opgravingsterrein waarschijnlijk drie kerken gestaan hebben. Een vervolgopgraving in het schip van de Gothische/Romaanse kerk zal het bestaan van een houten voorganger nog moeten bevestigen. Er wordt gespeculeerd dat zelfs de houten kerk nog een voorganger had; niet in de vorm van een christelijke kerk maar mogelijk in die van een eenvoudige voor-christelijke Romeinse tempel. Vondsten van Romeins aardewerk niet ver van het opgravingsterrein, ten oosten van de Kruisstraat, zou men daar mee in verband kunnen brengen.
Ook werd het opgravingsteam op de hoogte gesteld van eerdere vondsten van twee andere begraafplaatsen in de onmiddellijke omgeving; een op de plaats achter het gebouw van de Boerenbond, daar waar de centrale antennemast gestaan heeft en een andere voor de pastorie langs en onder de Kerkstraat. Over het waarom van deze begraafplaatsen en hun ligging tasten we in het duister. Niet bekend bijvoorbeeld is waar Reuselnaren begraven werden in de periode dat ze geen gebruik mochten maken van kerk en kerkhof, van 1658 tot 1800. Bij de schuurkerk net over de grens in Arendonk bij de Langschelpen werd niet begraven. Is de begraafplaats toen verlegd naar een van de bovengenoemde plaatsen? Of zijn deze begraafplaatsen ingericht als massagraven ten tijde van een middeleeuwse epidemie of misschien tengevolge van de eerder vermelde grote moordpartij van 1581?

De gebruiksfasen van het oude kerkterrein
Beschikbare gegevens stellen ons nu in staat om vier gebruiksfasen van het oude kerkterrein te presenteren. Zie hiervoor de tekening.
Fase 1 omhelst het oudste grafveld dat aangelegd is nog voor de bouw van de Romaanse kerk. Of er een houten kerkje bij stond is aannemelijk, maar moet nog wel aangetoond worden. De vroegste datering van deze begraafplaats gaat terug tot de periode na de kerstening door Willibrord, na het jaar 800, maar in ieder geval voor de bouw van de Romaanse kerk.
Fase 2 betreft de bouw en het gebruik van de Romaanse kerk. De bouw geschiedt voor 1135 en ruim voor de voltooiing in 1190 van het nog bestaande, oorspronkelijk Romaanse kerkje van de abdij van Postel. Het Reuselse kerkje had geen toren.
Fase 3 dateert van circa 1350, toen eerst de toren van de kerk werd gebouwd met behulp van enkel bakstenen. Misschien werden deze gebakken in de oude steenovens aan de Raamloop nabij het Busschoor, tussen Hulsel en de Franse Hoef.
Fase 4 betreft bouw en gebruik van de gothische kerk. Na de sloop van de Romaanse kerk werd de gothische aan de buitenzijde aansluitend aan de Romaanse kerk opgetrokken uit baksteen en de teruggewonnen 'Romaanse' tufsteen. Deze kerk deed dienst van ca 1350 tot 1895, met uitzondering van de periode 1658-1800. Uit de opgraving van het kerkportaal, in de toren, is al gebleken dat de vloeren van de kerk, en waarschijnlijk de kerk zelf ook, vele malen hersteld moeten zijn. Interessant is het te vernemen dat na de afbraak van de gothische kerk, de tufstenen nog eens gebruikt werden en nog zullen worden, voor herstelwerkzaamheden van de Postelse kerk. Die zijn intussen wel derdehands.
Oud-Reusel, het dorp en zijn bewoners
Het archeologisch onderzoek; de tweede fase
Door drs. Manuela Seijnen (Universiteit van Amsterdam)

Hoe oud is Oud-Reusel?
Een interessante vraag en niet alleen voor Reuselnaren. Het gaat er hier niet om wanneer de eerste mens zijn voetsporen op Reusels grondgebied achterliet of wat er hier in prehistorische en lang vervlogen tijden gebeurde, maar om het middeleeuwse dorp Roselo, nu bekend als Reusel. Een echt dorp, met al vroeg een kerk in haar midden.
Het eerste archeologisch onderzoek vond plaats in augustus 1995 op het schoolplein van De Klimop. In het decembernummer van De Schééper vertelde Jan Lavrijsen al over deze succesvolle proefopgraving. Begin dit jaar is gestart met de tweede fase van het onderzoek. In deze fase zou het hele kerkterrein worden blootgelegd en een proefonderzoek plaatsvinden ter voorbereiding op fase drie, waarin de aard en de omvang van het middeleeuwse Reusel vastgesteld zou worden. Dat de derde onderzoeksfase niet wordt uitgevoerd heeft tal van redenen, die kort samengevat kunnen worden in de woorden "tijd" en "geld". Wel zijn er enkele proefsleuven gegraven bij het voormalige klooster en L.H.N.O.-gebouw. Van het kerkterrein kon alleen het gedeelte onder de speelplaats van De Klimop verder worden onderzocht. Pas in 1997 of 1998 kan onder de aanbouw van De Klimop, de Kruisstraat en de parkeerplaats voor de Palmboom worden opgegraven.

Een stukje geschiedenis
In de loop van de zevende eeuw ontstaan er op tal van plaatsen op de hooggelegen gronden van de Kempen kleine nederzettingen, waarvan sommige uitgroeien tot centrale dorpen, waarin op een gegeven moment ook een kerk wordt gesticht. Deze nederzettingen blijven gedurende de hele Vroege en Volle Middeleeuwen (ca. 650-1200) bestaan, waarna ze zich rond 1200 gaan verplaatsen. Terwijl de mensen een andere lokatie kiezen voor hun huizen, blijven de kerk en het kerkhof op de oude plek in gebruik.
Op de kadasterkaart van 1832 is het laatmiddeleeuwse landschapsbeeld te zien, zoals dat na 1200 ontstond. De kerk ligt verlaten in de akkers, de nederzettingen liggen verspreid in het landschap. De parochie Reusel bestond toen uit enkele gehuchten, waarvan de belangrijkste Lensheuvel en Reuseldorp waren en een aantal pachthoeven van de abdij te Postel. Ook de wegenstructuur en de indeling van de akkers dateren voor een groot deel uit de Late Middeleeuwen (veertiende en vijftiende eeuw).
Met dit stukje algemene geschiedenis in het hoofd en de kaart van 1832 voor ogen is het niet moeilijk de plaats aan te wijzen van Oud-Reusel, het dorp van vóór 1200. Hoe dit dorp bij de kerk er uitzag en hoe het zich in de loop van de tijd ontwikkelde weten we niet. Door het graven van enkele proefsleuven ten westen van het kerkterrein konden we een tipje van de sluier oplichten.

De proefsleuven
Archeologen zijn eigenlijk een soort spoorzoekers. Op plaatsen waar mensen wonen worden sporen achtergelaten, zowel bovengronds als ondergronds. Bovengrondse sporen verdwijnen relatief snel, maar ondergrondse sporen kunnen heel lang bewaard blijven. Iedere in de grond gemaakte ingraving die daarna weer wordt gedicht kan worden opgespoord. In principe blijft een grondspoor net zolang bewaard tot iemand anders er weer doorheen graaft. Door deze grondsporen te lezen en te interpreteren kan de archeoloog een beeld schetsen van wat er bovengronds gebeurde.
In de Middeleeuwen bouwde men huizen met een houten skelet, met leem afgestreken wanden en rieten daken. De zware palen die het dak moesten dragen en de wanden verstevigen werden diep in de grond geplaatst. De kuilen die hiervoor werden gegraven noemen we paalkuilen. Alle paalkuilen die bij een gebouw behoren vormen samen de gebouwplattegrond. De vorm van de plattegrond en de afmetingen kunnen weer meer vertellen over het gebouw: was het een stal of schuur, een woonhuis of zelfs een kerk? Behalve paalkuilen zijn er in een nederzetting natuurlijk   nog veel meer grondsporen te vinden, bijvoorbeeld waterputten en greppels.
Voor de proefsleuven rond het voormalige klooster werden plaatsen uitgezocht, die niet verstoord waren door het in de oorlog verwoeste nonnenklooster. De sleuf op het grasveldje naast de L.H.N.O.-school, die het dichtst bij het kerkterrein lag, zat helemaal vol met paalkuilen en greppels, evenals de sleuf voor deze school langs de Wilhelminalaan.
Deze proefsleuven zijn eigenlijk net twee stukjes van een legpuzzel, waarbij de komplete puzzel niet een eenvoudige afbeelding vertoont, maar er verschillende afbeeldingen door elkaar heen zijn te zien. Komplete, of zelfs maar delen van gebouwplattegronden konden niet worden gereconstrueerd, maar de wirwar van paalkuilen en greppels toont wel aan dat het gebied direkt ten westen van het kerkterrein intensief bewoond moet zijn geweest. De hierbij gevonden aardewerkscherven dateren van de tiende tot de dertiende eeuw.
We volgen de proefsleuven langs de Wilhelminalaan verder in westelijke richting. Het volgende stuk, tot vlak voor de Ark, was geheel verstoord door kabels en leidingen. Direkt voorbij de Ark waren de sleuven helemaal leeg, tot aan de St.Jozefschool toe. Dit is niet zo verwonderlijk, aangezien het terrein naar het westen nogal afloopt en de bewoning zich vooral op de hoger gelegen gronden concentreerde. De westelijke begrenzing van Oud-Reusel zal ergens bij de Ark hebben gelegen. In de sleuven op het terrein achter (dus ten zuiden van) de L.H.N.O.-school tot aan de Ark werden slechts enkele paalkuilen en greppels gevonden.
Geheel onverwacht waren de bewoningsporen uit de zesde eeuw, die in een proefsleuf aan de achterkant van het klooster, westelijk van de Ark, tevoorschijn kwamen. De sporen konden alleen in westelijke en zuidelijke richting worden vervolgd, aan de andere kant verrees het kloostergebouw. De omvang van deze nederzetting kon hierdoor niet geheel worden bepaald, maar erg groot zal deze niet zijn geweest. In ieder geval hebben we de resten van twee gebouwplattegronden en drie waterputten. Misschien was er ook niet meer.
Maar hoe oud is nu Oud-Reusel? De mensen in hun zesde eeuwse huisjes wisten nog niets van een kerk en een kerkhof, die op een later tijdstip en op een plek verder oostwaarts gestalte kregen. De bewoningsporen bij de kerk gaan, voor zover we tot nu toe kunnen zien, niet verder terug dan de tiende eeuw. Om deze bewoners van Oud-Reusel als nazaten te zien van de bewoners van de zesde eeuwse huisjes, moet eerst nog een flink gat worden overbrugd.

Het kerkterrein
Vorig jaar konden we de brandende vraag: "heeft er voor de gotische kerk een Romaanse kerk gestaan?" al na drie dagen opgraven met een volmondig ja beantwoorden. Direkt kwam de volgende vraag: "stond er daarvóór ook al een kerk?". De graven die voor een deel onder de fundering van de Romaanse kerk werden aangetroffen toonden wel aan dat er op deze plaats al eerder mensen werden begraven. Het bestaan van een nog oudere kerk dan de Romaanse was mogelijk.
Hoewel we vorig jaar al een klein hoekje van de Romaanse kerk hadden blootgelegd, kon er dit jaar pas eigenlijk echt binnen in deze kerk worden opgegraven. De gemeente had er intussen voor gezorgd dat het oude, maar toch nog in gebruik zijnde riool van De Klimop werd verlegd, zodat we ongestoord aan het werk konden. Tevens kon het opgravingsareaal tot aan het muurtje bij de Kruisstraat worden vergroot. Hoewel er, gezien het totale oppervlak van de kerk, nog maar een klein deel is onderzocht, konden we toch een aardige blik in de kerk werpen.
Het gedeelte binnen in de toren was vorig jaar al bijna geheel onderzocht, evenals de eerste meter in het schip van de latere gotische kerk, tot aan de fundering van de Romaanse kerk. Het laatste stukje van de toren leverde twee nieuwe graven op en de resterende delen van twee eerder opgegraven graven. Nu kon het fundament van de toren in zijn geheel worden blootgelegd en een deel van het kerkhof rondom de toren en aan de buitenkant van de westkant van de kerk.
Op het kerkhof is met de kraan gelijk veel dieper gegraven dan in de kerk. Dit komt omdat de bovenste laag grond op het kerkhof veel meer verstoord was dan in de kerk. In de grond die er door de kraan is uitgeschept zat veel afbraakpuin, niet alleen van de sloop van de gotische kerk, maar ook van het oude nonnenklooster. Hiertussen bevonden zich ook veel botten uit eertijds verstoorde graven. Deze kunnen verstoord zijn tijdens de sloop of toen in 1913 de graven uit de negentiende eeuw werden geruimd (zie het boek "Acht eeuwen kerken in Reusel").

De oudste graven
Op het terrein zijn verschillende paalkuilen gevonden die ouder zijn dan het oude kerkhof. Het lijkt er op dat er midden in een bestaande nederzetting een plaats vrij is gemaakt om de mensen te begraven. Verder was er een van noord naar zuid lopende greppel, waar later een deel van de toren overheen is gebouwd.   Misschien vormt deze greppel een afbakening van het oude kerkhof. Ten westen van de greppel zijn namelijk geen graven gevonden die bij dit oude kerkhof kunnen horen, maar wel direkt ten oosten van de greppel. De westelijke grens van het kerkhof lag dus niet ver van de Romaanse kerk af.
Aan de westkant van de greppel lagen heel veel paalkuilen. De huizen stonden dus pal naast het kerkhof. Waarschijnlijk was er ook een waterput. Deze konden we niet opgraven, omdat het paadje naar de school er direkt overheen ging.
De begrenzing van dit oude kerkhof hebben we aan de noord- en zuidkant niet terug kunnen vinden. De noordkant zal ergens onder de Wilhelminalaan liggen. De zuidkant kunnen we misschien in een volgende opgraving vinden.
Dit kerkhof, waar de mensen in eenvoudige kisten zonder ijzeren nagels werden bijgezet, heeft toch wel iets heel bijzonders. Overal rond de Romaanse kerk (dus ook in de latere gotische toren) tot aan de greppel vonden we deze oude graven, maar niet één lag er in de kerk! De mensen zijn dus duidelijk ergens omheen begraven. Hoewel we er (nog) geen spoor van hebben teruggevonden, wat kan dit anders zijn dan een kerk? Het lijkt er dus meer op dat de mensen midden in het dorp een kerk hebben gebouwd, waar ze de doden bij hebben begraven, en niet een kerk hebben gesticht op een oude begraafplaats.
Misschien zijn er ook wel mensen in de kerk begraven, maar deze zullen dan aan de oostkant, in en bij het koor liggen. Hier werden alleen de priesters en zeer belangrijke mensen begraven.

De Romaanse kerk
Op een gegeven moment besloot men de houten kerk te vervangen voor een stenen, en op dezelfde plek werd de Romaanse kerk gebouwd. Deze kerk stond net als zijn voorganger midden in het dorp. Ook nu werden er geen mensen (in ieder geval in het westelijke gedeelte) in de kerk begraven. Wel ontstond er een nieuw gebruik om de doden ter aarde te bestellen. Sommige mensen werden niet meer in een kist begraven, maar in een doek gewikkeld. Er werd een grote, diepe grafkuil gegraven en op de bodem holde men de vorm van de overledene enkele centimeters diep uit, waarbij een apart kuiltje werd gemaakt voor het hoofd. Zo'n graf noemen we een antropomorf, een graf naar de vorm van het lichaam. Ondertussen werden er ook nog steeds mensen in kisten begraven.

Veranderingen
Terwijl de Romaanse kerk volop in gebruik was, trokken veel mensen weg uit het dorp. Ze gingen naar Reuseldorp, naar de Lensheuvel of ergens anders wonen. De kerk werd echter niet verwaarloosd. Nee, deze werd zelfs nog vergroot. Aan de noordkant voegde men namelijk een zijbeuk toe. De fundering van deze zijbeuk bestaat uit bakstenen. Bakstenen worden in de Kempen vanaf de veertiende eeuw gebruikt. Na deze verbouwing werd er aan het volgende project gewerkt: de bouw van de toren. Er stond dus een Romaanse tufstenen kerk, met een in baksteen uitgevoerde aanbouw aan de noordkant en een bakstenen toren aan de westkant, geheel alleen midden tussen de akkers.
Ook op het kerkhof vonden weer veranderingen plaats. Aan antropomorfen deed men al een tijdje niet meer, iedereen werd weer gewoon in een kist begraven. Wel begon men nu voor het eerst kistnagels te gebruiken.

De gotische kerk
De mensen kwamen van heinde en verre naar de Reuselse kerk, de kerk werd veel te klein. Na verschillende delen in baksteen aan de kerk te hebben toegevoegd, werd besloten de oude tufstenen kerk geheel te vervangen door een bakstenen. Deze gotische kerk bleef tot 1896/97 bestaan.
Niet alleen werd de kerk te klein, ook het kerkhof was aan uitbreiding toe. Ten westen van de eerder genoemde greppel zijn namelijk wel graven gevonden met genagelde kisten. Kisten met nagels zijn van een latere datum en het lijkt erop dat ze ongeveer gelijk met de bakstenen hun intrede doen. Misschien is gelijk bij de inwijding van de nieuwe gotische kerk ook het kerkhof opnieuw ingericht en vergroot. Mogelijk is dit kerkhof van dezelfde afmetingen als die we op de kaart van 1832 terugvinden.
In de gotische kerk zijn trouwens wel mensen in het westelijke deel begraven, in genagelde kisten. Hiervan waren er vorig jaar ook twee in de toren gevonden.
Een opmerkelijke vondst in de zuidwesthoek van het schip van de gotische kerk was die van een klokkengieterij. Werd hier de klok gegoten door Jan Petit, waarmee men in 1729 een contract afsloot? (zie het boek "Acht eeuwen kerken in Reusel"). Of is hier de klok gemaakt die later door dezelfde Jan Petit weer is vergoten? Dat er ter plaatse een oude klok is vergoten getuigen enkele teruggevonden bronzen klokfragmenten, die de smeltoven wisten te ontkomen. Ook is in de vulling van de kuil een pijpenkop gevonden, welke aan de zijkant is voorzien van een reliëfmerk. Op de hiel staat de letter H, met aan de keerzijde een V, deze zijn eveneens in reliëf. Reliëfmerken komen voor vanaf 1698 en blijven tot aan het eind van de achttiende eeuw in gebruik. Het parelkroontje, zoals te zien op de Reuselse pijp, wordt echter vóór 1740 gedateerd. De pijp kan dus heel goed in 1729 door Jan Petit of één van zijn medewerkers tijdens het gieten van de nieuwe klok zijn gebruikt!
De klokkengieterij is niet kompleet opgegraven, want er zouden minstens twee kuilen teruggevonden moeten worden, één waar het brons werd gesmolten en één waarin de klok werd gegoten. De hier gevonden kuil betreft het stookkanaal van de oven. De oven zelf en de bijbehorende smeltplaats lagen hoger. Hiervan is niets teruggevonden. De klokkenkuil ligt waarschijnlijk onder het houten schoollokaal van De Klimop.

Even geduld
De opgraving van het westdeel van het terrein is klaar. Alle grondsporen zijn opgegraven en de kerkfundamenten zijn opgeruimd om plaats te maken voor een nieuw riool en een stukje van de nieuwe Wilhelminalaan. Vol spanning moeten we wachten, tot De Klimop is gesloopt, de Kruisstraat is omgelegd en het sein voor verdere opgravingen wordt gegeven.
Dan kan het oostdeel worden onderzocht, waar we mogelijk meer te weten komen over de eerste kerk, de verschillende bouwfasen van de Romaanse en de gotische kerk en de mensen die hier zijn begraven.


De opgraving van de middeleeuwse kerk van Reusel in 1997
De derde fase
Door Paul van Kempen en Martin van der Kamp

Inleiding
In 1996 vertelde Manuela Seijnen in De Schééper (jrg. 8, nr. 30) iets over de opgravingen van de middeleeuwse kerk in 1995 en 1996. Toen kon slechts het westelijk deel van de kerk, de toren, een deel van het schip en het kerkhof worden opgegraven. Het terrein dat van maart tot begin juni 1997 werd opgegraven lag ten zuiden van de Wilhelminalaan, ter plaatse van de afgebroken noodlokalen van de Klimopschool en onder het oude parkeerterrein van café De Palmboom en ten westen van de noodverbinding van de Kruisstraat met de Wilhelminalaan. Dit is ook globaal de plaats waar tot in de jaren '50 het pakhuis van de Boerenbond stond. Op dit terrein konden de overige resten van de kerk, namelijk het schip en het koorgedeelte verwacht worden. Voor de specifieke opgravingstechniek als ook voor de hier gebruikte termen wordt verwezen naar het artikel van M. Seijnen. Voor de hier gepresenteerde kerkfases is gebruik gemaakt van de gegevens van de opgravingen uit 1995, 1996 en 1997. De gehanteerde dateringen zijn indicaties op basis van een vergelijking met andere kerken en kunnen pas na afloop van het onderzoek met iets meer zekerheid worden gegeven. De gebruikte afbeeldingen bij de kerkfases zijn reconstructietekeningen. Deze tekeningen geven, aan de hand van zowel opgravingsgegevens als historische gegevens, een ideaal beeld van de plattegronden van de opeenvolgende kerken. De uitwerking van de opgravingen is nog niet voltooid, met name de graven en de vondsten dienen nog bestudeerd te worden. Het skeletmateriaal wordt bestudeerd door K. Haakmeester. Hierdoor kan slechts een voorlopig beeld van de oude kerk en het kerkhof van Reusel gegeven worden.

De houten kerk (fase 1)
Binnen en onder de funderingen van de Romaanse kerk werden circa 12 kuilen gevonden, die samen een min of meer rechthoekige plattegrond geven. Door de vele verstoringen in de loop der eeuwen konden slechts enkele kuilen met zekerheid als paalkuilen aangeduid worden. Andere kuilen kunnen ook paalkuilen of resten van paalkuilen zijn, maar zekerheid hierover ontbreekt. De hier gepresenteerde, vrij onregelmatige plattegrond is slechts een indicatie van de omvang van de houten kerk. Nadere studie dient nog verricht te worden. Het is moeilijk een goede datering voor de bouw van dit kerkje te geven.

De Romaanse kerk (fase 2)
Fase 2A
 Vermoedelijk in de 10e tot 12e eeuw wordt de houten kerk vervangen door een tufstenen kerk. Deze eenbeukige Romaanse kerk (genoemd naar de bouwstijl) was ongeveer 13 m. lang en 8 m. breed. Bij de opgravingen werd de fundering van deze kerk, binnen die van de latere gotische kerk teruggevonden. Deze fundering   bestond uit in lagen gestapelde keien, onregelmatige brokken lokale oersteen, ingewaterd met geel zand. Sporadisch werden stukjes basaltlava (resten van maalstenen?) en tufsteen in de fundering gevonden.
 De muurfunderingen waren gemiddeld 1 m. breed. Van het opgaande tufsteen muurwerk werd niets teruggevonden, wel was de bovenzijde van de fundering (indien aanwezig) afgestreken met een laagje mortel. Wellicht was dit het niveau waar de muur begon. Door een aantal aanwijzingen kunnen we er zeker van zijn dat het muurwerk van de kerk van tufsteen was. Ten eerste de grote hoeveelheid tufsteen op het kerkterrein en ten tweede het hergebruik van tufsteen in de fundering en het muurwerk van de latere gotische kerk. Dit laatste is goed waarneembaar op de   foto uit het einde van de 19e eeuw van de noordmuur van het Gotische schip (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 190). Hierop zijn duidelijk de tufsteenbanden in het bakstenen muurwerk zichtbaar. De Romaanse kerk is vergelijkbaar met het Romaanse Boterkerkje te Oirschot.

 Fase 2B
 Vermoedelijk in de 13e eeuw bouwt men aan het tufstenen kerkje een koor met een hoefijzervormige plattegrond. Dit koor wordt opgebouwd in zgn. kloostermoppen, dit zijn grote bakstenen (afm. 28 x 13-14 x 7-8 cm.). Deze kloostermoppen zijn een bijzonderheid in de regio, ze worden er nauwelijks gevonden. Voorts is het gladde oppervlak van de Reuselse stenen bijzonder. Geen enkele kloostermop werd in situ gevonden. Ze werden gevonden, ingemetseld aan de buitenzijde van de fundering van het eerste Gotische koor (fase 3B). Door de aanwezigheid van mortel en kleine brokjes baksteen in de fundering van het romaanse koor weten we, dat dit in baksteen opgebouwd was. Als enige materiaal voor de opbouw van dit koortje komen de kloostermoppen in aanmerking uit het eerste gotische koor, waar zij in de fundering hergebruikt waren, daar dit het gangbare bouwmateriaal was toen het koortje gebouwd werd. Omdat ze ongeveer hetzelfde formaat hadden als de tufsteen hoefde men de bouwstijl (Romaans) niet aan te passen en kreeg men een harmonieus geheel. De muren waren waarschijnlijk zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde bepleisterd, zodat het verschil in bouwmateriaal niet opviel. Er kon met zekerheid vastgesteld worden dat de muren van het koortje aan de binnenzijde bepleisterd waren door de vondst van kloostermoppen met pleister. Een grote verrassing was het echter dat sommige stenen beschilderd waren. Wij vonden een 30-tal van deze stenen. Een reconstructie van de schildering was niet meer te maken. Op sommige stenen werden duidelijke zwarte lijnen aangetroffen alsmede rode en gele tinten. Mogelijk betreft het hier afbeeldingen van heiligen of vegetatieve motieven. De schilderingen zijn waarschijnlijk te vergelijken met de 14e eeuwse schilderingen aan de binnenzijde van sarcofagen (zoals te Aardenburg en Brugge).

 Fase 2C
 De laatste bouwactiviteit in de Romaanse fase is een bakstenen aanbouw aan de noordzijde van de kerk (rond 1400). Misschien kunnen we vanwege het kleine formaat baksteen echter al van de Gotische periode spreken (afm. 23,5-24 x 11,5 x 5-5,5 cm.). De fundering was 60 cm. breed. De onderste lagen bestonden uit los gestapelde bakstenen, de bovenste vier baksteenlagen waren gemetseld. Onder de steunberen werd het fundament nog ondersteund door keien, tufsteen-, ijzeroer- en basaltbrokken. Er werd eerder verondersteld dat dit een noordbeuk zou betreffen (fase 2C var. 1), maar in 1997 werd er geen aansluiting gevonden met de noordoost hoek van de Romaanse kerk. De noordbeuk zou dus korter dan de Romaanse kerk geweest kunnen zijn. Het is ook mogelijk dat we hier te maken hebben met een ingangspartij of kapel (Maria- of doopkapel?) (fase 2C, var. 2).

De Gotische kerk (fase 3)
Fase 3A
 Omstreeks 1400 (begin 15e eeuw) wordt de eerste stap gezet naar een algehele vergroting van de kerk met de bouw van de toren. Deze bakstenen toren werd op een afstand van 1,25 m. van de Romaanse kerk gebouwd, die dan nog voor de eredienst in gebruik was. De afmeting van de gebruikte baksteen was 24 x 12 x 5 cm. De toren was door middel van twee korte muurtjes met de Romaanse kerk verbonden. Omdat er alleen een toren gebouwd werd blijven de varianten van fase 2C ook voor deze fase toepasbaar (fase 3A, var. 1 en 2).

 Fase 3B
 Niet lang daarna heeft men de Romaanse kerk geleidelijk aan afgebroken en de nieuwe, Gotische kerk gebouwd (schip en koor, 15e eeuw). Dit deed men zo dat men nog kon blijven kerken. De nieuwe kerk werd om de oude heen gebouwd. De fundering van de schipmuren en het koor bestonden uit keien, lokale ijzeroersteen, baksteenpuin, mergel, tufsteen en basaltlava (soms zelfs vrij grote stukken molensteen). Het koor was zeer goed gefundeerd. Hier werd op de genoemde fundering een laag rechtbekapte oerstenen uit de omgeving van Diest (B.) aangebracht, vermoedelijk ter voorkoming van optrekkend vocht. In de toren bestond deze situatie, deels ook; of dit voor de schipfundering ook zo was is niet zeker. Aan de buitenzijde   van de koorfundering waren 5 lagen van de al genoemde kloostermoppen onder de ijzeroerlaag gemetseld (1 steen dik). De muren waren opgebouwd in baksteen met raamtraceringen en dergelijke in tufsteen en mergel. Binnen het koor werd de altaarfundering aangetroffen, die bestond uit keien, tufsteen, oersteen en basaltbrokken. Volgens toen geldende voorschriften moest het altaar op maagdelijke grond gefundeerd worden, gebruik makend van natuurlijke bouwmaterialen.

 Fase 3C
 Deze fase is een variant op fase 3B. Mogelijk werd gelijktijdig met de bouw van de Gotische kerk een sacristie gebouwd. Het is ook mogelijk dat deze wat later is gebouwd. Van deze sacristie werd alleen de puinfundering (baksteenpuin) van de noordmuur gevonden. De oostmuur was door verstoringen niet meer waarneembaar. De afwijkende funderingswijze, van grof baksteenpuin in vergelijking met de funderingen van toren, schip en koor geeft mogelijk aan dat de sacristie later aan de gotische kerk gebouwd is. Het baksteenpuin is dan afkomstig van het doorbreken van een deel van de noordelijke koormuur, om zo een doorgang tussen beide gebouwdelen te bewerkstelligen. Het is echter niet zeker of deze situatie ook werkelijk bestaan heeft.

De laat-Gotische kruiskerk (fase 4)
Fase 4A
 Door de enorme toeloop van bedevaartgangers voor de Mariaverering werd de bestaande kerk al snel te klein. Men begint met de bouw van twee kruispanden. (ca. 1530). In 1997 kon slechts de fundering van het zuidelijke kruispand in zijn geheel opgegraven worden. Van het noordelijke kruispand werden slechts de aanzetten met het schip en het nieuwe koor teruggevonden. Het grootste gedeelte van dit kruispand ligt thans onder de Wilhelminalaan. Om een indruk van de gehele situatie te krijgen is het zuidelijke kruispand spiegelbeeldig aan de noordzijde weergegeven. De beide kruispanden waren gefundeerd op goed aangestampt baksteenpuin, afkomstig van de doorgebroken koormuren.

 Fase 4B
 Omstreeks het midden van de 16e eeuw wordt het oude koor afgebroken en een nieuw koor gebouwd. Bij de bouw van de kruispanden had men al met de bouw van dit koor rekening gehouden. Bij de aansluiting van kruispand naar koormuur was reeds een tanding in het muurwerk aanwezig zodat beide bouwdelen makkelijk aan elkaar te metselen waren. Het koor was ondiep gefundeerd op grof baksteenpuin, vrij los gestort, afkomstig van het gesloopte koor. Dat dit problemen zou geven is evident.

 Fase 4C
 In het midden of aan het einde van de 16e eeuw bouwt men zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde van de kerk een sacristie. Van de noordsacristie werd slechts de aanzet bij de steunbeer gevonden, de rest is reconstructie. Op de door Mulder in 1894 vervaardigde plattegrond van de kerk staat als commentaar ter plaatse van de noordsacristie: "hier is een aanbouw met gewelf geweest". We weten dus dat er een noordsacristie geweest moet zijn. Op de afbeelding van Verhees uit 1790 (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 19) is de noordsacristie niet zichtbaar. Dit betekent dat de sacristie of dan nog gebouwd moet worden, of dan al afgebroken is.
 Van de zuidsacristie was een min of meer vierkante puinfundering (baksteenpuin) zichtbaar. Deze sacristie is ook gereconstrueerd. De zuidsacristie was mogelijk langer in gebruik dan de noordsacristie (zie verder).

Veranderingen in de negentiende eeuw (fase 5)
Fase 5A
 Omstreeks 1820-1830 worden beide kruispanden afgebroken en worden de schipmuren tot aan het koor doorgetrokken. Op de foto uit het einde van de 19e eeuw is zichtbaar dat in dit muurgedeelte geen tufbanden meer voorkomen (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 190). Dit is dus nieuw muurwerk. Een en ander gebeurde bij het opknappen van de kerk door de katholieken. De kerk werd in 1798 definitief aan de katholieken teruggegeven. Sinds de overname van de kerk door de kleine protestantse gemeenschap circa 1649 is de bouwkundige staat van de kerk aanzienlijk verslechterd. Vele restauraties in de loop van de tijd mochten niet baten (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel"). Via de opgraving van 1997 werd ons bovendien duidelijk dat de fundering van los gestort baksteenpuin van het laatste koor in de toekomst wel voor problemen moest zorgen (fase 4B). Ook de fundering van de kruispanden liet te wensen over, met uitzondering van de aansluiting met het koor, daar waren zij diep gefundeerd en deels gemetseld.

 Fase 5B
 Mogelijk bleef de zuidsacristie na de sloop van de kruispanden staan. Een aanwijzing hiervoor is de weergave van de sacristie op de plattegrond van Mulder uit 1894. Door hem "sacristy" genoemd. De kerk werd door Mulder nog voor de sloop opgemeten het is dus aannemelijk dat de zuidelijke sacristie toen nog bestond.

De sloop van de kerk
In 1891 nam pastoor F.F.L. van der Wee het initiatief tot de bouw van een nieuwe kerk. De nieuwe kerk kwam in 1895 aan de noordzijde van de Wilhelminalaan gereed, zodat de oude middeleeuwse kerk overbodig werd, zij werd in 1897-'98 afgebroken. Met het puin van de kerk werd de speelplaats van de school opgehoogd (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238-239). Een groot deel van de bij de afbraak vrijgekomen tufsteen werd gebruikt voor herstelwerkzaamheden aan de abdijkerk van Postel (Lavrijsen, 13).
 Het grootste gedeelte van de opgegraven fundamenten is na de opgravingen, met het oog op nieuwbouw op last van de gemeente gesloopt. De gemeente toonde zich echter wel bereid om een gedeelte van de funderingen op te metselen en/of in het wegdek aan te geven. Het betreft hier een deel van de funderingen van het eerste Gotische koor (fase 3B). Het is de bedoeling dat een en ander opgemetseld wordt met gebruikmaking van bij de sloop van de funderingen vrijgekomen materialen. Het geheel zal waarschijnlijk begeleid worden van een tekstbord met uitleg over de kerk. Het is natuurlijk van groot belang dat een plaats die zo'n centrale rol heeft gespeeld in het Reuselse dorpsleven gemarkeerd wordt.

De graven
Door de opgravingen zijn we vrij goed geïnformeerd over de begrenzing van het oudste grafveld, dat bij de houten en romaanse kerk hoorde. Met uitzondering van de noordgrens, die onder de Wilhelminalaan ligt. In het westen werd het kerkhof begrensd door een greppel. Deze greppel werd in het zuiden en oosten niet aangetroffen. Wel was het duidelijk waar het grafveld ophield. In zuidelijke richting strekte het grafveld zich even ver uit als de lengte van het kruispand. In oostelijke richting hield het grafveld ongeveer op ter hoogte van de lijn van de oostelijke sluiting van de beide sacristieën. Zoals door M. Seijnen vorig jaar al werd beschreven lagen er geen graven binnen de Romaanse kerk. Ook in het later aangebouwde koor (fase 2B) lagen geen graven. Wel lagen er graven net buiten de Romaanse kerk. De oudste graven bestonden uit grote kisten zonder nagels die bij de houten kerk horen. Ook komt er een enkele keer een boomstamgraf voor. Ten tijde van de Romaanse kerk (fase 2) komen naast de kistgraven ook antropomorfe graven voor. De laatste zijn begravingen naar de vorm van het lichaam, zonder kist.
 In de Gotische periode en later werd er wel binnen de kerk begraven, maar slechts in de toren en het voorste gedeelte van het schip en met name binnen de beide koren en in de kruispanden. In deze periode werden de mensen begraven in kisten die met kleine nagels waren gespijkerd. Onder de graven werden drie priestergraven gevonden. Omdat priesters met hun hoofd in het oosten worden begraven en leken met hun hoofd in het westen, waren zij makkelijk herkenbaar. De grote hoeveelheid nageltjes geeft aan dat men aan de kist van de priesters veel aandacht besteedde. Het waren natuurlijk overwegend personen met enig aanzien die in de kerk begraven werden. De grootte van het latere kerkhof, behorende bij de Gotische kerk, kon niet bepaald worden zodat het ook niet in zijn volle omvang opgegraven kon worden. Delen van dit kerkhof liggen nog onder de Wilhelminalaan en de Kruisstraat.

De klokkengieterij
In 1996 werd in de zuidwest hoek van het schip van de Gotische kerk een stookkanaal gevonden dat het overblijfsel was van een oven voor het smelten van brons. Dit brons was nodig voor het gieten van een klok. De oven zelf en de bijbehorende smeltplaats lagen hoger en zijn niet bewaard gebleven. In het stookkanaal werden bronsresten van een oude klok gevonden, die aan het smeltvuur waren ontkomen. De kuil waarin de eigenlijke klok is gegoten werd in 1997 opgegraven binnen hetzelfde schip. In deze kuil werd een bakstenen ring gevonden waarop de gietmal rustte waarin de klok werd gegoten. Mogelijk werd hier in 1729 door Jan Petit een nieuwe klok gegoten of een oude klok vergoten (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 83-86). Dit zou de in 1462 door de Mechelse gieter Waghevens gegoten klok kunnen zijn? (Bijnen, 23). Het lijkt niet waarschijnlijk dat de klok uit 1462 in de gevonden kuil werd gegoten.

[link:8]De waterput[/link:8]
Ten zuiden van de kerk lag op het kerkhof een waterput. De waterput was opgebouwd uit gestapelde, omgekeerde plaggen. Analyses van fossiel stuifmeel (pollen) uit de plaggen heeft uitgewezen dat deze plaggen vrijwel zeker van heidevelden afkomstig zijn en niet uit bossen of van weiden. Tevens werden enkele pollenkorrels van boekweit en rogge aangetroffen; gewassen die begin 16e eeuw in Reusel verbouwd werden. Onder in de put werd geen karrewiel gevonden waarop men de plaggen stapelde om zo de ronde vorm te krijgen. De plaggenput dateert van vóór 1550. De put doorsneed enkele graven. Zij werd dus op het kerkhof aangelegd!
 In de vulling van de put zijn enkele bijzondere vondsten aangetroffen. Op de bodem is een complete steengoedkruik uit Langerwehe (D.) gevonden die uit circa 1500 dateert. Voorts bevonden zich twee stukken (runder-)leer in de put. Het grootste stuk betrof de rest van een schoen welke, op basis van de soepelheid van het leer, van vóór 1550 dateert. Het andere stuk leer betreft de rest van een dolk- of zwaardschede. Dergelijke schedes komen voor in de periode van 1220 tot 1700.
 In de put zijn ook enkele stukjes bewerkt hout gevonden, waaronder een eikehouten stop en een stokje van buxushout met ingekerfde tekens (soort kerfstok). Dit laatste is opmerkelijk daar buxushout geen inheemse boomsoort is. Het werd pas in de late middeleeuwen en dan nog voornamelijk in kloostertuinen, aangeplant. De vondst van een onbewerkt takje buxus wijst op het bestaan van een buxusstruik in de nabijheid van de waterput. Het kerfstokje is dus ter plaatse vervaardigd. Opmerkelijk was ook de vondst van een door een hond (?) aangevreten linker kaakhelft van een 12 tot 21 maanden oud schaap. In de vulling van de put bevond zich ook bouwmateriaal (baksteen, tufsteen e.d.) alsmede menselijk bot, waaronder een schedel. Dit materiaal is waarschijnlijk bij het dichten of dicht raken in de   put terecht gekomen.
 Het is niet duidelijk met welk doel de waterput gegraven is. Misschien had men water nodig voor de aanmaak van cement bij de verbouwing van de kerk (fase 4). Mogelijk ook diende de put om in doopwater te voorzien. Een andere mogelijkheid is dat men drinkwater nodig had toen het kerkterrein tijdens de Belgische opstand in 1830 als schans werd gebruikt (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238).   De vondsten uit de put sluiten deze mogelijkheid op grond van hun datering vrijwel uit. Misschien hebben we wel hier te maken met "de" heilige Mariaput?

Conclusie
Ondanks de ogenschijnlijke verstoringen, zoals kabelsleuven, verstoringen ontstaan bij de ruiming van de graven van het oude kerkhof in 1913, de bouw van het pakhuis van de Boerenbond in 1915 en de afbraak daarvan in de jaren '50 (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238-239) en de bouw en afbraak van de Klimopschool, werden er bij de opgravingen toch nog opvallende resultaten geboekt. In Reusel kon de gehele ontwikkeling van eenvoudige (houten?) zaalkerk tot de in 1897-'98 afgebroken kerk gevolgd worden. De grote verrassingen waren natuurlijk de tufstenen kerk en het hoefijzervormig uit kloostermoppen opgebouwde koor, met als extra verrassing de beschildering op een aantal van deze stenen. Het vrij ongeschonden gebleven oudste kerkhof, de waterput en de klokkengieterij behoorden eveneens tot de verrassende vondsten. Opmerkelijk waren ook de vondsten uit de waterput. Door de opgravingen kon dus toch nog een belangrijke aanvulling op de geschiedenis van de oude kerk van Reusel gegeven worden. Een deel van de geschiedenis van Reusel die zonder de opgravingen verloren was gegaan.

Bronnen
Bijnen, J. (1997): De 'Salvator Mundi' luidklok van Zeelst, Campinia 27, 17-25.
 Hagen, J.W./G. Janssen (1995): Acht eeuwen kerken in Reusel. Reusel (Bijdragen tot de kennis van het Reusels Heem, 11).
 Lavrijsen, J. (1995): Opgravingen in de middeleeuwse kerken van Reusel; Augustus 1995, De Schééper 7 (nr. 27), 10-13.
 Seijnen, M. (1996): Oud-Reusel, het dorp en zijn bewoners. Het archeologisch onderzoek, De Schééper 8 (nr. 30), 8-13.

De foto's en afbeelding zijn afkomstig van het Instituut voor Pre- en Protohistorische Archeologie van de Universiteit van Amsterdam.

Terug naar de inhoud